VRAGEN EN ANTWOORDEN

gepubliceerd 24-08-2009 13:05, Laatste wijziging: 18-02-2014 16:41
vraag en antwoord

Staat je vraag er niet tussen? Hier zijn nog meer veelgestelde vragen.

 

Waarom richt de SKC zich op deze bedrijven?
Met deze campagne willen wij een breed publiek aanspreken, van mensen die babykleertjes kopen, tot fans van jeans en vrouwen die gaan voor functionele kleding. Het is als het ware een doorsnede van Nederlands modelandschap. We focussen op Nederlandse kledingbedrijven, omdat Nederlandse klanten daar meer invloed op kunnen hebben dan op bijvoorbeeld het Amerikaanse Nike of het Zweedse H&M.;

 

Moeten we dan maar niet meer kopen van deze kledingmerken?
Nee, dat is niet de oplossing. Als we hier een merk boycotten, dan worden de kledingarbeiders daar er niet beter van: als zij hun baan verliezen wordt hun situatie alleen maar erger. Wat we wel kunnen doen is de kledingbedrijven vertellen dat wij willen dat de mensen die onze kleding maken genoeg verdienen en in goede arbeidsomstandigheden werken. Vertel het ze hier.

 

Zijn dit de enige bedrijven die het beter moeten doen?
Deze bedrijven staan voor de hele Nederlandse kledingsector: de omstandigheden in de 17 fabrieken zijn voorbeelden van de omstandigheden in de gehele kledingindustrie. Andere bedrijven die niet in het onderzoek naar voren komen, moeten net zo goed maatregelen nemen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren.


Wat is dat BSCI waar veel bedrijven bij zitten?
Als antwoord op de jarenlange vraag van consumenten en organisaties om maatschappelijk verantwoord te ondernemen heeft ook het bedrijfsleven stappen gezet om aan deze wens te voldoen. Een van de organisaties die hieruit is ontstaan is het Business Social Compliance Initiative (BSCI). Helaas zorgt de werkwijze van BSCI er onvoldoende voor dat er aan deze vraag wordt voldaan.

Wij hebben op de volgende punten kritiek:

  • arbeiders hebben geen recht op een leefbaar loon: fabrieken worden alleen ‘aangemoedigd’ dit te betalen
  • arbeiders en hun organisaties worden nauwelijks betrokken bij fabriekscontroles en verbeteringen
  • arbeiders kunnen nergens terecht voor eventuele klachten over schendingen van de BSCI-gedragscode
  • er is slechts aandacht voor fabriekscontroles, terwijl andere zaken, zoals het informeren van arbeiders over hun rechten, op gelijkwaardige basis samenwerken met alle belanghebbenden en aanpassen van inkoopbeleid – minstens zo belangrijk zijn
  • claims van BSCI worden niet gecontroleerd/bevestigd door een onafhankelijke organisatie
  • alleen algemene, samengevatte resultaten van sociale audits zijn openbaar, geen specifieke resultaten per bedrijf
    lees meer

Wat willen jullie dat de bedrijven doen?
We vragen bedrijven stappen te zetten richting een leefbaar loon voor alle kledingarbeiders, ongeachte sekse. Simpelweg het loon verdubbelen lukt niet van de een op de andere dag. Het betalen van een leefbaar loon maakt deel uit van een pakket van maatregelen om arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie te verbeteren. De publicatie 'Gedragscodes: een complete aanpak' beschrijft vier belangrijke stappen die kledingbedrijven kunnen zetten om ervoor te zorgen dat hun kleding wordt gemaakt onder eerlijke omstandigheden. Samengevat betekent dit het volgende:

  • aannemen van een complete gedragscode waarin o.a. het recht op leefbaar loon wordt genoemd;
  • het invoeren van de gedragscode in de fabrieken (bijvoorbeeld met een stappenplan voor het verhogen van het loon), onafhankelijke controle en verificatie van naleving van deze gedragscode en het laten aansluiten van het inkoopbeleid (zoals eerlijke inkoopprijzen en realistische leveringstijden) op de gestelde ethische normen;
  • het betrekken en informeren van belanghebbenden – zoals arbeiders, NGOs en andere bedrijven - via een Multi Stakeholder Initiatief;
  • een positieve houding aannemen ten opzichte van (lokale) vakbonden.

Wat is een leefbaar loon?
Arbeiders leven nog steeds rond of onder de armoedegrens; hun koopkracht is de afgelopen jaren zelfs gedaald, omdat de kosten van basisbehoeftes zoals voedsel zijn gestegen. De Schone Kleren Campagne stelt dat arbeiders een leefbaar loon moeten verdienen: een loon dat genoeg is voor schoon water, voedsel, onderdak, kleding, onderwijs, gezondheidszorg en vervoer en daarnaast ook ruimte biedt voor een beetje vrij besteedbaar inkomen (om bijvoorbeeld te sparen). Het is een van de rechten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Een leefbaar loon zorgt ervoor dat de basisbehoeften van de arbeiders en hun families worden vervuld, zodat ze volledig mee kunnen doen in de maatschappij en een menselijk bestaan hebben. Het houdt rekening met de kosten van levensonderhoud, sociale voorzieningen en de levensstandaard van mensen om hen heen. Ten slotte zou het gebaseerd moeten zijn op een normale werkweek, dus los van eventueel overwerk, en van toepassing zijn na eventuele inhoudingen. Er zijn twee manieren om een leefbaar inkomen vast te stellen: door berekeningen of door onderhandelingen. Bij berekeningen wordt gebruikgemaakt van vaste, algemene formules, terwijl bij onderhandelingen arbeiders – vaak verenigd in een vakbond – samen met hun managers  tot afspraken over lonen komen.

 

Wat nou leefbaar loon, ze krijgen toch het minimumloon?
Van het maandsalaris van kledingarbeiders is vaak niet te leven. Arbeiders hebben volgens internationale normen recht op een leefbaar loon: een loon waar je tenminste huisvesting, eten, kleding, scholing en de medische kosten van je gezin van kunt betalen. Daarnaast moet je nog in staat zijn om een klein beetje te sparen voor noodgevallen. Omdat zulke kosten overal ter wereld verschillen, verschilt ook de hoogte van een leefbaar loon van land tot land.
Kledingbedrijven garanderen bijna nooit dat de mensen die hun kleding in elkaar naaien een leefbaar loon krijgen uitbetaald. Meestal beperken ze zich tot het betalen van een minimumloon. Het vastgestelde minimumloon is in de meeste landen echter te laag om behoorlijk van rond te kunnen komen. Vaak is het loon lange tijd niet veranderd, terwijl de prijzen voor eten en huisvesting enorm zijn gestegen. Veel regeringen zijn bang om zich met hogere lonen uit de markt te prijzen waardoor bedrijven zich elders vestigen, en houden de loonkosten daarom bewust laag. We komen in een vicieuze cirkel terecht als kledingbedrijven zich achter de nationale regeringen verschuilen en zeggen dat die nu eenmaal het minimumloon vaststellen. Het minimumloon is juist zo laag uit angst dat de kledingbedrijven anders naar een ander land vertrekken. Als bedrijven samen zouden werken en zo gezamenlijk de standaard verhogen, betaalt iedereen een leefbaar loon en is er geen sprake van concurrentieverlies.

 

Al dat geklaag over lage lonen.. het leven in Bangladesh en India is toch ook stukken goedkoper?
Tuurlijk, het leven in India en Bangladesh is inderdaad stukken goedkoper dan in Nederland. Maar toch heb je in India, om je gezin te kunnen ondersteunen, huur, onderwijs, medische kosten en dergelijke te betalen, zo'n 103 euro per maand nodig- en in Bangladesh ongeveer 89 euro. Bovendien bevindt de kledingindustrie zich mte name in grote steden, waar het leven veel duurder is dan op het platteland.
Als je als assistent het miniumloon verdient, kom je per maand in India zo'n 47 euro, en in Bangladesh zelfs zo'n 71 euro tekort om je gezin te onderhouden. Reden genoeg dus om de arbeiders te helpen bij hun eis voor een leefbaar loon!

 

Wat is een bewijs van aanstelling?
Een bewijs van aanstelling is een brief waarin staat vermeld dat een arbeider bij de betreffende fabriek werkt. Deze constructie wordt in Bangladesh en India vaak gebruikt. Door deze brief heeft een arbeider recht op wat er in de arbeidswet staat, zoals een bepaald salaris. Het is geen arbeidscontract zoals wij in Nederland kennen, want het is geen overeenkomst tussen twee partijen. Omdat maar weinig arbeiders in de kledingindustrie een echt contract krijgen is een bewijs van aanstelling heel belangrijk – het is de enige bescherming die ze hebben.

 

Is het niet een taak van de overheid dat er regels komen?
De meeste landen die kleding produceren hebben best goede arbeidswetten. Het probleem is echter dat die niet nageleefd worden. Vanwege torenhoge schulden voeren veel derdewereldlanden een beleid te voeren dat erop gericht is om buitenlandse investeringen aan te trekken. Kleding- en andere lichte industrie (schoenen, speelgoed, elektronica) is vaak de eerste stap in de industrialisering van een land en past dus heel goed in dit beleid. Buitenlandse investeerders komen af op lage lonen en de soepele naleving van arbeids- en milieuwetgeving. Als een overheid hier wel strikt op gaat letten, zullen veel investeerders al snel naar een ander land verkassen. Derdewereldlanden concurreren dus met elkaar op slechte arbeidsomstandigheden.

Nu is het ook weer niet zo dat een overheid helemaal geen macht heeft over investeerders. En ook niet alle bedrijven rennen weg als er een paar wetten worden ingevoerd. Maar het is wel zo dat de macht van overheden tegenover (grote) bedrijven beperkt is en dat het een internationaal probleem is dat niet alleen op nationaal niveau kan worden opgelost. Want een andere, belangrijke reden waarom de wetgeving niet nageleefd wordt, is dat de macht en structuur van multinationals boven nationale wetten uitstijgen. Zolang dit soort bedrijven niet aan mondiaal geldende wetten worden gehouden kunnen ze in een wettelijk vacuum blijven opereren. Er zijn wel inspanningen gedaan op intergouvernementeel niveau (o.a. de VN-gedragscode, de OESO-richtlijnen), maar het is helaas nog steeds niet mogelijk om multinationals wettelijk te verplichten zich aan de internationale (arbeids)nromen te houden.

 

Kun je wel om een leefbaar loon vragen nu er economische crisis is?
Een leefbaar loon is een mensenrecht, ook als het economisch slecht gaat of het even regent. Iedereen op deze wereld heeft daar dus gewoon recht op.

De economische crisis raakt arbeiders in kledingproductielanden als Bangladesh en India extra hard. Door de bijkomende voedselcrisis kunnen ze steeds minder eten kopen. In vergelijking met 2007 zijn de prijzen van basisbenodigdheden met ten minste 50% gestegen. Voor bepaald basisvoedsel zoals rijst is de prijsstijging zelfs zo’n 100%. Bovendien zijn ook de andere leefkosten van de arbeiders gestegen, waardoor ze hun voedseluitgaven hebben moeten beperken, met alle gevolgen van dien. Een leefbaar loon is nu meer dan ooit nodig.
Daarbij betekent een hoger loon meer koopkracht voor de arbeiders, wat meer afzetmarkt en dus economische groei betekent in de productielanden zelf.

 

Wordt kleding niet veel duurder als je het loon verhoogt?
' Schone kleren' zijn niet of nauwelijks duurder, omdat maar een heel klein gedeelte van de totale prijs van een kledingstuk naar loon voor de kledingarbeiders gaat.

De productiekosten bedragen slechts ongeveer 2 tot 3 % van de totale kosten van een kledingstuk. Als de lonen worden verhoogd, heeft dat een minimaal effect op de totale prijs van een kledingstuk. Het is dus maar de vraag of je de kosten voor eerlijke arbeidsomstandigheden uiteindelijk terug ziet op het prijskaartje van je nieuwe broek. Ter illustratie: grote merken geven 25 keer meer geld uit aan advertenties, als aan lonen.

Je kunt er als consument nu niet gerust op zijn dat de kledingarbeiders een loon ontvangen waar ze van rond kunnen komen. En dat is vreemd, want een leefbaar loon is een universeel mensenrecht. Naast hogere lonen zijn vaak ook andere verbeteringen nodig, zoals betere ventilatie en een veiliger werkplek. Maar ook dit hoort bij fatsoenlijk ondernemen en betekent nog steeds niet dat 'schone kleren' duurder hoeven zijn.

 

Wat kunnen Nederlandse bedrijven nu doen aan schendingen in landen als Bangladesh en India?
Meer dan je denkt. De manier waarop Nederlandse kledingmerken inkopen bij fabrieken in lagelonenlanden kan een hoop schelen. Door voldoende te betalen voor de producten, het hanteren van reële aanlevertijden en het onderhouden van vaste relaties met fabrieken kan onderbetaling, overwerk en competitie op arbeidsomstandigheden worden voorkomen. Verder is het heel belangrijk dat de arbeiders zelf worden betrokken bij de controles van de arbeidsomstandigheden in de fabrieken. Alleen op deze wijze hoor je wat er zich daadwerkelijk afspeelt op de werkvloer.
Een kleine, individuele inkoper die betere arbeidsomstandigheden in een fabriek eist, heeft uiteraard minder invloed dan grotere bedrijven of meerdere bedrijven tegelijkertijd. Als (Nederlandse) merken die in dezelfde fabrieken produceren samenwerken, kunnen ze veel invloed uitoefenen op het arbeidsbeleid in fabrieken- bijvoorbeeld door  lid te worden van een multi-stakeholder initiatief.
De kledingmerken zijn degenen die in deze miljoenenmarkt veel winst maken. Zij zijn ook degenen die dat zouden moeten doen op basis van een fatsoenlijk bedrijfsmodel. Ze maken pas echte winst, als ze daarvoor geen mensen uitbuiten. Door deze structurele stappen te zetten kunnen ze dit mogelijk maken.

 

Als de lonen in India of Bangladesh zouden stijgen, dan vertrekken die bedrijven naar landen waar arbeidskracht nog steeds goedkoper is. Daar hebben die werknem rs in India en Bangladesh dan toch ook geen baat bij?
De kledingindustrie is als water: het zoekt altijd het laagste punt. Als bedrijven willen dat de mensen die hun kleren maken het beter krijgen, dan kunnen ze dit realiseren door structurele stappen te zetten. Dit is duurzamer dan de problemen te verplaatsen naar een andere plek. Bedrijven maken de keuze om in een bepaalde fabriek kleding te laten produceren en hebben dus de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat dit onder goede arbeidsomstandigheden gebeurt - of dit nu in India, Bangladesh, Sri Lanka, Peru of Zuid-Afrika plaatsvindt.

 

Waarom zeggen jullie er niet bij in welke fabrieken het onderzoek is gedaan? Dat zou toch handig zijn voor de kledingmerken?
Wij kunnen de productielocaties niet zomaar onthullen. De ervaring leert, dat wanneer de precieze locaties van de fabrieken openbaar worden gemaakt, kledingbedrijven -vaak onbedoeld- maatregelen nemen die averechts werken: de productie wordt verplaatst waardoor de arbeiders hun baan kwijtraken of arbeiders die als kritisch te boek staan worden ontslagen. Wat wij wel doen, is de kledingbedrijven die dit willen, in contact brengen met de lokale onderzoekers. Zij kunnen de productielocaties onder bepaalde voorwaarden vrijgeven- bijvoorbeeld de voorwaarde dat de productie niet wordt verplaatst en er strikt op wordt toegezien dat er geen vergeldingsacties plaats vinden.

Het is verder belangrijk om te weten dat de beroerde arbeidsomstandigheden, hoe schrijnend ook, helaas niet uniek zijn. Deze misstanden komen in veel fabrieken in India en Bangladesh voor. Het is daarom belangrijk dat bedrijven actie ondernemen om hun gehele productieketen te vrijwaren van schendingen van elementaire rechten- en dus niet alleen de fabrieken die toevalig uit het onderzoek naar voren komen. De bedrijven zullen daarom zelf alert moeten zijn op misstanden in de fabrieken en -bijvoorbeeld- een veilige klachtenprocedure moeten instellen, waar arbeiders anoniem klachten over bijvoorbeeld seksuele intimidatie en gedwongen overwerk kunnen melden. Bedrijven kunnen dan direct in actie kunnen komen bij een concrete schending.

 

Sommige merken verkopen toch ook kleding van fairtrade of biologisch katoen?
De kledingindustrie volgt het voorbeeld van de voedselsector: de laatste jaren is er een aantal sociale en milieukeurmerken geïntroduceerd. De belangrijkste zijn biologisch en fairtrade katoen. Deze keurmerken richten zich op specifieke kwesties binnen de productieketen van katoen. Het biologische keurmerk houdt zich vooral bezig met de landbouwmethodes die gebruikt worden om katoen te telen, terwijl het fairtrade keurmerk (in Nederland bekend onder de naam Max Havelaar) voornamelijk betrekking heeft op de productie van katoen en dus niet op het in elkaar naaien van de kleding. Wel moet elke fabriek die met fairtrade katoen werkt aantonen dat hij zich inspant voor goede arbeidsomstandigheden- bij voorkeur via bestaande initiatieven als de Fair Wear Foundation, maar dat is niet verplicht.

Om echt duurzame verbeteringen in de kledingindustrie tot stand te brengen zijn zowel eerlijkere handelsverhoudingen als een versterking van de positie van kledingarbeiders noodzakelijk. De Schone Kleren Campagne en fairtrade organisaties zijn dan ook niet zozeer verschillend als wel aanvullend. Een organisatie als Max Havelaar houdt zich bezig met de katoenproductie, de SKC met de daaropvolgende kledingproductie.

Inmiddels zijn er veel grote kledingwinkels die kleren van biologisch en/of fair-trade gecertificeerd katoen verkopen – bijvoorbeeld C&A;, Prénatal en WE (allen biologisch). Deze groeiende markt heeft een hoop goeds gebracht voor de vele boeren die bij de certificering betrokken waren en consumenten de keuze gegeven om goede katoen te kopen.