Wat is er mis: (OVER)LEVEN IN BANGLADESH

gepubliceerd 24-08-2009 12:55, Laatste wijziging: 18-02-2014 16:41
Woningen van kledingarbeiders in Dhaka. - Dit beeld heeft geen directe relatie met het hier beschreven onderzoek.75% van de exportinkomsten van Bangladesh komt uit de kledingindustrie. Die industrie overleeft voornamelijk doordat de arbeiders slecht behandeld worden.

Vergeleken met 2006 is de koopkracht van de arbeiders erg gedaald door prijsstijgingen en inflatie. Na veel protesten en onderhandelingen werd het minimumloon in de kledingindustrie op 22 oktober 2006 verhoogd van 9,90 euro (het niveau van de 12 jaar ervoor) naar 17,70 euro - nog steeds veel te weinig om van te leven. Een persoon heeft in Bangladesh ongeveer 53 euro nodig om van te leven, een gezin van vier 89 euro.

Op 12 april 2008 meldden de media dat arbeiders in opstand waren gekomen tegen de torenhoge voedselprijzen en lage lonen. Zo'n 20.000 mensen gingen uit wanhoop over hun situatie de straat op. Fabriekseigenaren gebruiken verschillende argumenten voor de nog steeds lage lonen: afgenomen economische groei, kledingmerken die lage inkoopprijzen betalen, concurrentiecompetitie etc. Intussen draaien de arbeiders ervoor op:

"We leven in sloppenwijken. De overheid geeft geen moer om onze benarde situatie. De lage lonen zijn het resultaat van de constante lobby door de machtige leiders van de handelsassociaties en uit de zakenwereld afkomstige politici. In vergelijking met 2007 zijn de prijzen van basisbenodigdheden met ten minste 50% gestegen."

De huidige lonen zijn niet genoeg om voedsel te kopen. Voor bepaald basisvoedsel zoals rijst is de prijsstijging zelfs zo'n 100%. Bovendien zijn ook de andere leefkosten van de arbeiders gestegen, waardoor ze hun voedseluitgaven hebben moeten beperken, met alle gevolgen van dien. Sinds 1994 zijn de totale bestaanskosten in Bangladesh verdubbeld.

Vanaf 1 april 2009 krijgen alle kledingarbeiders 20 kilo rijst voor 18 Tk (19 eurocent). Dit is een noodreactie van de overheid op de onrust in de industrie. Een arbeidster zegt:
"We kunnen ons niet meer herinneren wanneer we voor het laatst lekker hebben gegeten. Het is onbegrijpelijk dat wij overleven."
Andere arbeiders beschrijven hun situatie zo:
"We kopen rotte vis, we gaan naar geïmproviseerde marktjes in het holst van de nacht, we kopen afgekeurde groente. 's Ochtends eten we oudbakken rijst als ontbijt."


Terwijl de onderzoekers in Bangladesh zaten te wachten op de arbeiders die terugkeerden van hun werk hebben ze aantekeningen gemaakt over de situatie van de arbeiders:
"Ze leven in barakken die gemaakt zijn van kratten en dozen, naast rottend vuil. Door de onhoudbare situatie verkommeren ze - en het grootste deel van hun inkomsten gaat al naar voedsel en onderdak. Hun huishouden bestaat uit een soort vlot dat dienst doet als bed, wat gereedschap en kookspullen. Ze delen de toiletten, en leven met 3 à 4 mensen op 8 tot 10 vierkante meter.
Hun levensonderhoud wordt altijd bedreigd. Ze gaan naar de markt om het broodnodige te kopen, midden in de nacht, en als ze terugkomen gaan ze laat naar bed - pas nadat ze hun partners en kinderen hebben gevoed."

De kledingindustrie is een wereldwijde business, en veel mensen hebben er grote belangen in. Inkopers (kledingmerken), fabriekseigenaren en de overheid - allemaal hebben ze gedeelde verantwoordelijkheid voor de situatie van de arbeiders. Wil je wat doen om hen te steunen, kijk dan bij Wat kun jij doen.